Toen abt Odilo van Cluny in 1047 in Moissac aankwam, trof hij het klooster zowel in materiële als in geestelijke zin in deplorabele staat aan: de kloostergebouwen waren een aantal jaren tezamen met de stad (gedeeltelijk) afgebrand en het klooster werd gekwalificeerd als een roversnest. Ongeveer een halve eeuw later stonden de zaken er aanmerkelijk florissanter voor: Moissac was rijk geworden door de vele donaties waardoor het mogelijk was een nieuwe kloostergang te bouwen. Dit werd de eerst bekende kloostergang met een zowel in kwantitatief als in kwalitatief opzicht imponerende hoeveelheid romaans beeldhouwwerk.
Maar liefst 80 gebeeldhouwde kapitelen en 10 marmeren hoekpijlers sieren het bouwwerk. De iconografie van de kapitelen en hoekpijlers verbeelden het middeleeuwse christelijke gedachtegoed. De bronnen die de beeldhouwers hiervoor gebruikten waren het Oude en Nieuwe Testament, maar ook (vroeg) middeleeuwse geschriften zoals Etymologieën van Isodorus van Sevilla. Opvallend is het aantal kwaadaardige koningen dat afgebeeld is. Dit had te maken met de politieke situatie waarin Moissac zich bevond: het klooster werd op dat moment geteisterd door de plaatselijke adel. Ongeveer 25 jaar later werd het indrukwekkende timpaan, dat de wederkomst van Christus verbeeldt, gemaakt. De stijl is dan al veel natuurgetrouwer en vertoont meer plasticiteit dan het beeldhouwwerk van het klooster.
De lezing zal ingaan op de geschiedenis en de iconografie van het beeldhouwwerk van Moissac. Bovendien zal daar waar nodig de ruimschoots aanwezige Latijnse inscripties worden toegelicht.
