
Een goed christen hoorde in de Middeleeuwen veel vis te eten omdat dit voedsel de zinnen niet verhitte en hem zodoende niet op wellustige gedachten kon brengen. Vlees daarentegen, verwarmde lijf en leden van de mens en veroorzaakte onkuise ideeën en daden. Logisch dat het dieet van monniken in hoofdzaak uit vis bestond. Dergelijke ideeën over eten lijken wat eigenaardig, maar hadden te maken met de in de oudheid en Middeleeuwen heersende humorenleer. Volgens de humorenleer bestond alles in de kosmos – en dus ook het lichaam van de mens – uit vier elementen: water,vuur, aarde en lucht. Deze elementen hadden ieder hun eigen basiskenmerken: nat of droog, warm of koud. Zaak was een dusdanig dieet te houden dat de elementen in evenwicht (isonomia) waren, anders werd men ziek. Het besef dat voeding van invloed is op de gezondheid is beslist geen hedendaagse gedachte. In de lezing “aan tafel in de middeleeuwen” wordt ingegaan op wat de middeleeuwer at en dronk en waarom.
De lezing wordt geïllustreerd aan de hand van prachtige afbeeldingen uit getijdenboeken, andere manuscripten en beelden uit de kerk.